Horrorvakantie

vrijdag 29 augustus 2014 15:03 uur

illustratie: Leonie Bos

In de winter van 2006 verraste de vader van mijn kinderen mij met een vakantie naar Barcelona. Dat hij de vader van mijn kinderen was wist ik officieel nog niet, want ik had geen kinderen op dat moment, maar ik had een vermoeden. Bovendien had ik een zwangerschapstest gedaan, een half uur voor hij de tickets uit zijn binnenzak haalde, en de test was negatief geweest en we hadden wat zitten grienen van opluchting en misschien ook wel van verdriet, want beide uitkomsten waren goed geweest.
In het vliegtuig waren mijn tranen allang op en zat ik me te verheugen op mijn verblijf in de gaafste stad van Europa, maar ook dat wist ik toen nog niet. De vader van mijn kinderen had zijn huiswerk gedaan en liet me de lijst zien van alle restaurants en café’s waar we het lekkerste eten van de wereld zouden gaan krijgen. Ik kon niet wachten.
Direct na aankomst lunchten we in het kleinste café dat we konden vinden in de wijk El Born, dat vol zat met Spaanse jongens met snorren. Echte snorren, die je moet onderhouden en bijknippen en zo veel mogelijk om je vinger moet winden. Aan de wanden hingen schilderijen van een Spaanse feministe. Boven ons tafeltje hing een moderne variant van de schreeuw, met in de achtergrond een patroon van vliegende, bebloede tampons. Het was te koop voor €30.
We aten iets met rijst en zeedieren, dronken wijn alsof het oudejaarsavond was en verlieten tollend het restaurant met het schilderij onder onze arm.
De zon had niets met mijn wijninname en afwezige zwangerschap te maken en sloeg me in het gezicht. Ik moest kokhalzen. Barcelona is een heel ingewikkelde plaats om te zijn als je misselijk bent. Het is nog veel ingewikkelder als je dan iemand bij je hebt die heel graag alles wil eten wat hij ziet en je aan het einde van elke dag alsnog meesleept naar weer een restaurant om nog meer paella te bestellen (of iets anders dat naar vis en knoflook ruikt en druipt van de olie) en nog meer wijn te drinken en te praten over het leven.
Nadat ik voor de zoveelste keer terug kwam van het toilet, zei hij: ‘Ik ben wel blij dat het nog niet gelukt is.’
‘Oké,’ zei ik, en bestelde een cola om mijn maag te kalmeren.
‘Laten we nog een jaar wachten, of zo,’ zei hij.
Ik moest huilen.
‘Wat is er?’ vroeg hij, ‘wil je niet meer wachten?’
‘Dat is het niet,’ zei ik, ‘maar ik denk dat het daar te laat voor is.’
‘Oh,’ zei hij.
Ik prikte wat in mijn eten. Ik ging het niet opeten.
‘Wat nou als het echt te laat is?’ vroeg ik ongerust.
Hij wisselde zijn lege bord om met het mijne.
‘Dan hebben we over een jaar het gaafste kind van de wereld,’ zei hij met volle mond.
Hij kreeg gelijk, maar de Spaanse keuken hoef ik nooit meer te zien.

Deze column verscheen op 16 augustus 2014 in V ZOMER #6 van de Volkskrant.

IMG_1102.JPG

krant



plaats een reactie:

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *